De fysieke afstand van een PV-installatie tot het externe bliksembeveiligingssysteem moet zo mogelijk altijd worden aangehouden om deze te beveiligen. De typische waarden liggen hierbij tussen 0,5 m en 1 m. Wanneer dit door de omstandigheden ter plaatse niet mogelijk is, mag de noodzakelijke afstand worden onderschreden. Dit mag echter alleen, wanneer de installatie in het externe bliksembeveiligingssysteem wordt opgenomen of wanneer een geïsoleerd systeem wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld met de hoogspanningsbestendige, geïsoleerde isCon®-afleider uit het OBO-portfolio.

Scheidingsafstand bij PV-installaties

Airconditioning, elektrische sensoren en fotovoltaïsche installaties zijn voorbeelden van dakelementen waarbij de scheidingsafstand moet worden aangehouden. Deze afstand is nodig om gevaarlijke vonkvorming en deelbliksemstromen tussen de externe bliksembeveiligingsinstallatie en de metalen gebouwdelen en elektrotechnische apparaten te voorkomen. Juist bij de uitrusting naderhand van PV-installaties is dit vanwege de bouwkundige situatie vaak niet mogelijk. De veilige oplossing: het hoogspanningsbestendige, geïsoleerde isCon®-systeem van OBO. Met de isCon®-kabel kan er een scheidingsafstand van 0,75 m in de lucht en 1,5 m bij vaste bouwstoffen betrouwbaar worden aangehouden.

Positie van de vangmasten

De vangmasten of vangstangen moeten zodanig worden gepositioneerd dat er geen beschaduwing van de PV-panelen ontstaat. Want een kernschaduw is voldoende om het vermogen van de gehele string negatief te beïnvloeden. Conform VDE 0185-305-3, bijlage. 5 moet een vangstang minimaal 108 x de diameter van de module verwijderd zijn. Daarbij moet erop worden gelet dat het PV-systeem zich nog wel in het beschermgebied van de vangstangen moet bevinden. Met het hoogspanningsbestendige, geïsoleerde isCon®-systeem van OBO kan de scheidingsafstand veilig worden aangehouden.