Potentiaalvereffening bij PV-installaties

De fysieke afstand van een PV-installatie tot het externe bliksembeveiligingssysteem moet idealiter altijd worden aangehouden om deze te beschermen. Wanneer dat door de plaatselijke omstandigheden niet mogelijk is, mag de benodigde afstand worden verkleind, mits

  • de PV-installatie is geïntegreerd in het externe bliksembeveiligingssysteem
  • een geïsoleerd systeem wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld met de hoogspanningsbestendige, geïsoleerde afleider isCon®.

Heeft u hierover vragen?
Wij helpen u graag verder!

Neem nu contact op

Belangrijke maatregelen

Om een degelijke beveiliging van de PV-installatie te waarborgen, moet met de volgende punten rekening worden gehouden:

  • De lokale aarding (SAR) moet met de hoofdpotentiaalvereffening (HAR) worden verbonden.
  • Potentiaalvereffeningsgeleiders moeten dicht bij en parallel aan de DC-kabels worden gelegd.
  • Datakabels moeten in het beveiligingsconcept worden opgenomen.

Vier stappen voor volledige beveiliging van PV-installaties

  • Stap 1: scheidingsafstand controleren
    Als de vereiste scheidingsafstand niet kan worden aangehouden, moeten de metalen delen met elkaar worden verbonden op een wijze die geschikt is voor het geleiden van bliksemstroom.
  • Stap 2: veiligheidsmaatregelen controleren
    Voorbeeld: maatregelen voor bliksembeveiligingspotentiaalvereffening worden toegepast aan zowel de DC- als AC-zijde, bijvoorbeeld bliksemstroomafleiders (type 1)
  • Stap 3: datakabels opnemen
    Datakabels moeten in het beveiligingsconcept worden opgenomen.
  • Stap 4: potentiaalvereffening uitvoeren
    Bij de omvormer moet lokale potentiaalvereffening worden uitgevoerd.

Scheidingsafstand bij fotovoltaïsche installaties

De bliksembeveiligingsinstallatie moet worden geïnstalleerd met inachtneming van de scheidingsafstand (s) tot de componenten van de PV-installatie, overeenkomstig DIN EN 62305. In de regel is een scheidingsafstand (s) = veiligheidsafstand van 0,5 m tot 1 m voldoende.

Airconditioning, elektrische sensoren en fotovoltaïsche installaties zijn voorbeelden van dakelementen waarbij de scheidingsafstand moet worden aangehouden. Deze afstand is nodig om gevaarlijke vonkvorming en deelbliksemstromen tussen de externe bliksembeveiligingsinstallatie en de metalen gebouwdelen en elektrotechnische apparaten te voorkomen. Vooral bij de montage achteraf van PV-installaties is dit vanwege de bouwkundige omstandigheden vaak niet mogelijk. De veilige oplossing: het hoogspanningsbestendige, geïsoleerde isCon®-systeem van OBO. Met de isCon®-kabel kan een scheidingsafstand van 0,75 m in de lucht en 1,5 m in vaste bouwmaterialen betrouwbaar worden aangehouden.

Wanneer de scheidingsafstand niet kan worden aangehouden

Als de scheidingsafstand volgens VDE 0185-305-3 (IEC/EN 62305-3) door bouwkundige omstandigheden niet kan worden aangehouden, moet de PV-installatie in de bliksembeveiligingsinstallatie worden geïntegreerd met behulp van geteste componenten die geschikt zijn voor het voeren van bliksemstroom met 16 mm2 CU of 25 mm2 aluminium. Bliksembeveiligingsonderdelen voor de verbinding moeten conform VDE 0185-561-1 (IEC/EN 62561-1) zijn getest. In deze situaties zijn ook de overspanningsbeveiligingen aan de DC-zijde van het type 1 (class I) of de combi-afleider van het type 1+2 (class I+II) nodig, omdat bliksemstromen in het gebouw niet kunnen worden beheerst.

De hierdoor gerealiseerde, noodzakelijke bliksembeveiligings-potentiaalvereffening verbindt alle metalen en elektrisch geleidende componenten van de installatie inclusief het aardingssysteem met het genormaliseerde bliksembeveiligingssysteem. Conform VDE 0185-305 deel 3 en 4 (IEC/ EN 62305-3, -4) moeten hierbij overspanningsbeveiligingen (SPD's) type 1 (class I) of combi-afleiders type 1+2 (class I+II) voor de in het gebouw binnenkomende kabels worden gebruikt.   Dit geldt zowel op dak- als op grondniveau, voor de AC- én de DC-zijde van het PV-elektriciteitsvoorzieningssysteem.

Doorslaggevend voor de vraag naar de noodzaak van overspanningsbeveiligingsmaatregelen zijn de DIN VDE 0100-443 (VDE 0100-443) en de DIN VDE 0100-712 (VDE 0100-712).

Positie van de opvangmasten

De opvangmasten of opvangstangen moeten zo worden gepositioneerd dat er geen schaduwvorming op de PV-modules ontstaat. Een kernschaduw is namelijk al voldoende om vermogensverlies voor de volledige string te veroorzaken. Conform VDE 0185-305-3, bijlage 5 moet een opvangstang minimaal 108 x de diameter van de module verwijderd staan. Daarbij moet erop worden gelet dat het PV-systeem zich nog steeds binnen het beschermingsbereik van de opvangstangen bevindt. Met het hoogspanningsvaste, geïsoleerde isCon®–systeem van OBO kan de scheidingsafstand betrouwbaar worden aangehouden.

Uitgebreid gamma voor potentiaalvereffening

OBO Bettermann biedt een uitgebreid gamma van producten voor potentiaalvereffening bij fotovoltaïsche installaties

Overtuig uzelf. 

Downloads voor de potentiaalvereffening

Dit kan ook interessant zijn voor u

Contactpersoon

OBO BETTERMANN n.v./s.a.

Heeft u vragen hierover? Wij helpen u graag verder!