Overzicht van de installatiegebieden

Om kabeldozen in bepaalde omgevingen te kunnen installeren en ervoor te zorgen dat de installaties in de kabeldozen geen veiligheidsrisico vormen, moet aan diverse normatieve eisen worden voldaan
 

Beveiliging tegen directe aanraking (basisbeveiliging)

Beveiliging conform normvoorwaarden volgens DIN VDE 0100-410. Actieve delen (wisselspanningen groter dan 50 V en gelijkspanningen groter dan 120 V) moeten door omhullingen zijn omgeven of achter afdekkingen zijn aangebracht die minimaal voldoen aan beschermingsgraad IP2X. Horizontale bovenoppervlakken van afdekkingen of omhullingen die gemakkelijk toegankelijk zijn, moeten minimaal voldoen aan beschermingsgraad IP4X. Afdekkingen en omhullingen moeten stevig zijn bevestigd en voldoende sterk en duurzaam zijn om de vereiste beschermingsgraad en voldoende afstand tot actieve delen te waarborgen onder de te verwachten omstandigheden van normaal bedrijf en met inachtneming van de relevante externe invloeden. Afdekkingen mogen alleen met behulp van gereedschap kunnen worden verwijderd. Alle producten van OBO Bettermann voldoen aan deze eisen.

Ruimten met badkuip of douche conform DIN VDE 0100-701

Ruimten met badkuip of douche worden ingedeeld in zones waarin alleen bepaalde apparaten mogen worden geïnstalleerd.

Belangrijke veiligheidseisen: 

De volgende schakelapparaten, besturingsapparaten en installatieapparaten zijn in de zones toegestaan: 

Zone 0 
Geen apparaten toegestaan. 

Zone 1 

  • Kabeldozen en aansluitdozen voor de voeding van elektrische verbruikers die in zone 0 en 1 conform 701.55 zijn toegestaan;
  • Installatieapparaten, inclusief contactdozen, van stroomcircuits die zijn beveiligd door zeer lage spanning via zeer lage veiligheidsspanning (SELV 1) of zeer lage beschermingsspanning (PELV 2), met een nominale spanning die 25 V AC of 60 V DC niet overschrijdt. De stroombron moet buiten de zones 0 en 1 zijn opgesteld

Zone 2

  • Installatieapparaten, met uitzondering van contactdozen; 
  • Installatieapparaten, inclusief contactdozen, van stroomcircuits die zijn beveiligd door laagspanning via zeer lage veiligheidsspanning (SELV 1) of zeer lage beschermingsspanning (PELV 2). De stroombron moet buiten de zones 0 en 1 zijn opgesteld; 
  • Contactdooseenheden voor scheerapparaten conform DIN EN 61558-2-5 (VDE 0570-2-5); 
  • Installatieapparaten, inclusief contactdozen voor bedrijfsmiddelen van de signaal- en communicatietechniek, op voorwaarde dat deze bedrijfsmiddelen zijn beveiligd door laagspanning via zeer lage veiligheidsspanning
     

Elektrische bedrijfsmiddelen moeten minimaal de volgende beschermingsgraad hebben:
 

  • In zone 0: IPX7 
  • In zone 1: IPX4 
  • In zone 2: IPX4

    Deze eis geldt niet voor contactdooseenheden voor scheerapparaten conform DIN EN 61558-2-5 (VDE 0570-2-5), die in zone 2 zijn geïnstalleerd en waarbij direct besproeien tijdens het douchen onwaarschijnlijk is. Elektrische bedrijfsmiddelen die aan straalwater worden blootgesteld, bijvoorbeeld voor reinigingsdoeleinden in openbare baden, moeten in zone 1 en 2 minimaal voldoen aan beschermingsgraad IPX5

Bassins van zwembaden en andere bassins conform DIN VDE 0100-702


 

Belangrijke veiligheidseisen: 
Bij toepassing van zeer lage veiligheidsspanning (SELV 1) moet de beveiliging tegen directe aanraking, ongeacht de hoogte van de nominale spanning, worden gewaarborgd door: 
• afdekkingen of omhullingen met minimaal beschermingsgraad IPX2 of IPXXB (beveiligd tegen toegang met een vinger), of 
• een isolatie die minimaal één minuut bestand is tegen een testspanning van 500 V AC.


Bassins van zwembaden en andere bassins worden ingedeeld in zones waarin alleen bepaalde apparaten mogen worden geïnstalleerd. Kabel-/verbindingsdozen mogen niet in zone 0 worden geïnstalleerd. In zone 1 zijn alleen kabel-/verbindingsdozen toegestaan voor stroomcircuits met beveiliging door zeer lage veiligheidsspanning (SELV 1).

Montage- en installatievoorschriften voor kabeldozen

Elektrische bedrijfsmiddelen die in zones van zwembadbekkens en andere bassins worden toegepast, moeten minimaal voldoen aan de volgende beschermingsgraden:

 

ZoneBuiten, voor reinigingswerkzaamheden met straalwaterBuiten, zonder straalwaterBinnen, voor reinigingswerkzaamheden met straalwaterBinnen, zonder straalwater
0IPX5/IPX8IPX8IPX5/IPX8IPX8
1IPX5IPX4IPX5IPX4
2IPX5IPX4IPX5IPX4

Landbouw- en tuinbouwbedrijven conform DIN VDE 0100-705

In deze omgevingen gelden verschillende eisen aan uitschakelinrichtingen van de stroomcircuits, maar ook aan de toegepaste materialen. In eindstroomcircuits met contactdozen moet een aardlekschakelaar met een nominale verschilstroom van 30 mA worden voorzien. In alle andere stroomcircuits, met uitzondering van stroomcircuits die verdelers voeden, moet een aardlekschakelaar met een nominale verschilstroom van 300 mA worden toegepast. Met betrekking tot het te gebruiken materiaal van de kabel-/verbindingsdozen moet vóór de installatie worden gecontroleerd, welke chemische concentraties in de omgeving aanwezig zijn. Dit heeft een grote invloed op de bestendigheid van de gebruikte producten.
 

Voorbeelden: 
Stallen, kippenstallen, varkensmesterijen, opfok- en broedruimten, opslagplaatsen voor stro, meststoffen en graan, enz.

Vochtige en natte zones, ruimten en buiteninstallaties conform DIN VDE 0100-7

Belangrijke veiligheidseisen: 
In vochtige en natte zones en ruimten moeten elektrische bedrijfsmiddelen minimaal beschermd zijn tegen druipwater (beschermingsgraad IPX1)

In zones en ruimten waar met straalwater wordt gewerkt en de bedrijfsmiddelen normaal gesproken niet direct voor reinigingsdoeleinden worden aangestraald, moeten de bedrijfsmiddelen minimaal beschermd zijn tegen spatwater (beschermingsgraad IPX4). In zones en ruimten waar met straalwater wordt gewerkt, moeten bedrijfsmiddelen die direct aan de waterstraal worden blootgesteld, wat betreft bescherming tegen water een beschermingsgraad hebben die overeenkomt met de belasting door straalwater, of zijn voorzien van een geschikte aanvullende bescherming die de correcte werking van de zo beschermde bedrijfsmiddelen niet beïnvloedt. 

Voorbeelden: Grootkeukens, onverwarmde en ongeventileerde kelders, wasruimten, koelruimten, kassen, wasserettes, enz.

Buiteninstallaties

Belangrijke veiligheidseisen: in beschermde buiteninstallaties moeten bedrijfsmiddelen minimaal tegen druipwater beschermd zijn (beschermingsgraad IPX1). In onbeschermde buiteninstallaties moeten bedrijfsmiddelen minimaal tegen sproeiwater beschermd zijn (beschermingsgraad IPX3). De eisen voor beveiliging door automatische uitschakeling van de stroomvoorziening zijn opgenomen in DIN VDE 0100-470 (VDE 0100-470):1996-02 en gelden onder andere voor:
ʉۢ contactdozen buiten;
 â€¢ contactdozen waarvan mag worden verwacht dat ze af en toe draagbare bedrijfsmiddelen buiten voeden. 
Bovendien is ventilatie en/of ontwatering verplicht! 

Voorbeelden van onbeschermde installaties buiten: straten, wegen en pleinen, doorgangen en tuinen, bouwplaatsen, perrons, hellingen en daken, bouwmachines, tankstations en gebouwen. 

Voorbeelden van beschermde zones buiten: installaties op overdekte perrons, poortingangen en overdekte tankstations, huizen of gebouwen met voldoende dakoverstek/met extra bescherming tegen weersinvloeden

Fotovoltaïsche installaties conform DIN VDE 0100-712

Belangrijke veiligheidseisen: de randapparatuur van PV-installaties is grotendeels buiten opgesteld. 

Daarom gelden de volgende belangrijke veiligheidseisen: 
• Er moet rekening worden gehouden met te verwachten externe invloeden, zoals wind, ijsvorming, temperatuur en zonnestraling. 
• In PV-installaties moet zijn gewaarborgd dat de warmte die bij directe zonnestraling ontstaat, wordt afgevoerd. 

Alle aansluit-/kabeldozen moeten worden voorzien van een waarschuwing dat actieve delen in de dozen na het loskoppelen van de PV-omvormer onder spanning kunnen staan. De eisen voor het uitschakelen van de PV-installatie voor onderhoudswerkzaamheden zijn opgenomen in VDE 0100-712, paragraaf 53. 
 

Bovendien is ventilatie en/of ontwatering verplicht!

Trekontlasting voor kabel- en leidinginstallaties conform VDE 0100-520

Kabel- en leidinginstallaties moeten zo worden gekozen en aangelegd dat beschadiging tijdens de aanleg, het bedrijf en het onderhoud wordt voorkomen. De trekspanning op een kabel mag de hieronder aangegeven waarden niet overschrijden. Deze is afhankelijk van een maximale trekkracht van 1000 N of van een met de fabrikant afgestemde waarde. • 50 N/mm² voor niet-flexibele kabels/leidingen tijdens de installatie. • 15 N/mm² voor flexibele kabels/leidingen bij gelijkblijvende trekbelasting en voor niet-flexibele kabels/leidingen tijdens bedrijf in vast geïnstalleerde stroomcircuits.

Bij overschrijding van de hierboven aangegeven waarden moeten passende maatregelen worden genomen. Dit kan worden gerealiseerd met een geschikt afzonderlijk middel/product. Dit middel mag de kabels/leidingen niet beschadigen. Voor kabeldozen kan op verschillende manieren aan deze eis worden voldaan. Enerzijds door gebruik te maken van een geschikte kabelwartel die direct in de doos wordt geplaatst, anderzijds door gebruik te maken van geschikte trekontlastingsklemmen die buiten de doos worden gemonteerd